Kennisbank
Jurisprudentie

ZZP-constructie houdt stand, toch recht op opzegvergoeding

De Belastingdienst handhaaft sinds 1 januari 2025 weer actief op schijnzelfstandigheid. Veel opdrachtgevers willen daarom een samenwerking omzetten of stoppen. Een uitspraak van de

De Belastingdienst handhaaft sinds 1 januari 2025 weer actief op schijnzelfstandigheid. Veel opdrachtgevers willen daarom een samenwerking omzetten of stoppen. Een uitspraak van de kantonrechter in Tilburg laat zien dat je als zzp'er op twee fronten ruimte hebt: je zelfstandigheid kan overeind blijven, en een afgesproken opzegtermijn blijft gewoon gelden.

Waar ging het over

Een logopediste werkte vanaf april 2024 op zzp-basis bij een dyslexie- en logopediepraktijk. Ze factureerde via haar eigen eenmanszaak en ontving 18,00 euro per behandeling van 30 minuten, zonder loondoorbetaling bij ziekte of vakantie. Eind 2024 liet de praktijkhouder weten dat de zzp-constructie door de hervatte handhaving niet meer houdbaar was en dat er een arbeidscontract moest komen. Over de voorwaarden kwamen partijen er niet uit. Op 21 augustus 2025 beëindigde de praktijkhouder de samenwerking per 1 september 2025, amper tien dagen na de aankondiging.

De logopediste stapte naar de rechter. Primair stelde ze dat er een arbeidsovereenkomst was die onregelmatig was opgezegd, met een vordering van ruim 24.000 euro. Subsidiair stelde ze dat als het een opdracht was, de contractuele opzegtermijn van twee maanden niet was gerespecteerd.

Wat de rechter besliste

De kantonrechter paste het toetsingskader uit het Deliveroo-arrest toe: eerst de feitelijke rechten en plichten vaststellen, daarna toetsen aan de definitie van een arbeidsovereenkomst in artikel 7:610 BW. Doorslaggevend is of er een gezagsverhouding is.

Die was er niet. De logopediste bepaalde zelf hoe ze behandelde, koos zelf welke patiënten ze aannam, en kon afspraken afzeggen of verzetten zonder toestemming of verantwoording. Er waren geen functioneringsgesprekken en geen verplichte trainingen. Dat ze op locatie werkte, het patiëntensysteem gebruikte en een e-mailadres van de praktijk had, vond de rechter onvoldoende. Die zaken vloeien voort uit het contract van de praktijk met de zorgverzekeraar, niet uit werkgeversgezag. Ze droeg bovendien commercieel risico, stond ingeschreven in het handelsregister en factureerde via haar eigen onderneming. Conclusie: een overeenkomst van opdracht, geen arbeidsovereenkomst.

Op de tweede vraag was de rechter ook helder. De opzegtermijn van twee maanden was bindend. De overeenkomst eindigde juridisch pas op 22 oktober 2025. Over de tussenliggende periode kreeg de logopediste 2.264,52 euro bruto aan gemiste inkomsten, plus 1.266,00 euro proceskosten voor rekening van de praktijk.

Wat dit voor jou betekent

Werkte je inhoudelijk vrij, kon je opdrachten weigeren en deelde je je eigen tijd in? Dan is de kans groot dat een rechter de samenwerking ook als opdracht ziet. De druk vanuit de handhaving verandert niets aan hoe een rechter naar de feiten kijkt.

Controleer daarnaast je opzegtermijn. Staat die in het contract, dan is hij bindend voor beide partijen. Houdt je opdrachtgever zich er niet aan, dan kun je de gederfde inkomsten over die periode opeisen. Staat er geen termijn in, dan geldt een redelijke termijn, afhankelijk van de duur en je afhankelijkheid. Wijs je opdrachtgever eerst schriftelijk op de geldende termijn en je aanspraak op vergoeding. Kom je er niet uit, dan is de kantonrechter een reële route.

Dit artikel is algemene informatie en geen juridisch advies; laat je situatie altijd individueel beoordelen.

Zelf aan de slag, zonder gedoe?

Laat je CV achter, dan denken wij met je mee, ook over dit soort vragen.

Meld je aan met je CV →